Grammatica-regels leren
Als je een grammatica regel leert, moet je minstens 5 zinnen maken , waarin die regel gebruik wordt. Het moeten regels zijn die de leerling zelf maakt. De leerling moet het opschrijven en laten controleren. Laat ze de voorbeelden uit het boek bestuderen.

Zinnen vertalen en zelf nakijken
Veel leerlingen schrijven de vertaling op voor ze goed nadenken. Als ze klaar zijn, kijken ze het soms na, vaak niet.

Ze zouden eerst na moeten denken over welke grammatica regel ze toe moeten passen en dan pas doen.

De leerling kan zijn fouten uit de zin halen door telkens op 1 onderdeel te letten.

Eerst kunnen ze de zin hardop lezen en inwendig luisteren of het klinkt. Om te horen of de zin klinkt , moet je vaak Engels, Franse, Duitse woorden hardop uitspreken. Inje inwendige bandrecorder staan dan al veel zinen opgeslagen en daarmee wordt de zin vergeleken. Als je nooit luidop Engels, Frans, Duits leest zul je dat ‘gevoel’ voor Engels, Frans, Duits moeilijk krijgen.,
Daarna let je bijv. alleen op tijd- en plaatsbepalingen,
Vervolgens alleen op het gezegde en de werkwoordsvormen,
Tot slot lees je de tekst weer en let je alleen op de schrijfwijze van de woorden. Hierbij moet je elk woord apart even aankijken en desnoods in stukjes verdelen. Je zult zien dat sommige woorden niet ‘staan’.
Taal overhoren
Werkwoordsvormen. Laat leerlingen de vorm in een zin gebruiken om te controleren of het ook begrepen is. Vraag, nadat de leerling de rijtjes heeft opgesomd, door elkaar eens de betekenis van het werkwoord in die vorm, bijv. ils sont.

Uitspraak van een taal
Spreek de taal hardop uit. Luister naar buitenlandse liedjes, kijk naar films.

Ook op de website staan diverse programma’s.

Nederlandse woorden leren
Laat de leerling het woord opschrijven en de betekenis op zoeken . Sommige woorden worden anders uitgesproken dan geschreven. Laat de woorden uitspreken. Laat ze zinnen maken met het woord. Vraag aan de leerling of hij het woord kan visualiseren, of hij er een bepaald beeld bij heeft.

 

Structuur herkennen in een studieboek
Inhoudsopgave. Deze geeft in feite in een oogopslag de structuur van het hele boek aan.
Titel en inleiding van de belangrijkste hoofdstukken. Uit de titel blijkt vaak al waar het over gaat.
Lees de conclusies of samenvatting
Hoe herken je structuur in de tekst?

Lees de paragraaftitels, de eerste zinnen van de belangrijkste paragrafen en tussenkopjes. Deze vertellen waar de tekstdelen over gaan en meestal is dat voldoende om de belangrijkste ideeën te begrijpen.
Let op signaalwoorden waarmee de auteur de structuur en gedachtegang aangeeft. Er zijn verschillende soorten signaalwoorden:
Opsomming: ten eerste, en, eveneens, zowel … als, tevens, daarbij, vervolgens, bovendien, verder, ook, een andere, daarnaast, ten slotte, tot slot.

Toelichting/voorbeeld: zoals, bijvoorbeeld, zo, een voorbeeld, dat blijkt uit, dat komt voor bij, ter illustratie, onder andere, neem nou, u kent het wel, ter verduidelijking.
Volgorde: eerst, vervolgens, dan, daarna, later, voorafgaand, toen, terwijl, voordat, nadat, zodra, intussen, vroeger.
Oorzaak/gevolg: door, waardoor, daardoor, doordat, zodat, te danken aan, te wijten aan, als gevolg van, dientengevolge, had als gevolg, wegens.
Doel/middel: om … te, door te, door middel van, met behulp van, opdat, daarmee, daartoe, teneinde, met als doel, daarvoor.
Voorwaarde: als, indien, mits, wanneer, tenzij, stel dat, in het geval, aangenomen dat.
Reden/verklaring: want, omdat, dat blijkt uit, hierom, derhalve, aangezien, vanwege, wegens, namelijk, immers, daarom.
Vergelijking: net als, zoals, evenals, hetzelfde als, in vergelijking met, vergeleken met.
Tegensteling of contrast: enerzijds/anderzijds, niettemin, toch, echter, maar, daarentegen, toch, integendeel, in plaats van, in tegenstelling tot, daar staat tegenover, desondanks.
Mate van belangrijkheid: erg, zeer, bijzonder, meest.
Samenvatting of conclusie: dus, kortom, concluderend, samenvattend, hieruit volgt, uiteindelijk, hieruit kunnen we afleiden, samengevat, alles bij elkaar, met andere woorden, al met al, daarom, dat houdt in, alles overziend, alles afwegend, slotsom.
Let op sleutelwoordendie inhoudelijk belangrijk zijn en die essentieel zijn voor het begrijpen van een tekst of een tekstgedeelte. In deze cursus “Actief Leren” worden de sleutelwoorden extra benadrukt (in de meeste browsers vetgedrukt).
Lees definities,stellingen, hypotheses, voorbeelden d.
Bekijk modellen, diagrammen, grafiekend. en lees de onderschriften
Let op de indeling van de tekst in alinea’s. Een nieuwe alinea gaat meestal over een ander onderwerp. In de eerste alinea geeft de auteur vaak aan waar het over gaat. In de laatste alinea vat hij het beknopt samen.
Zoek de kernzin waarin het belangrijkste van de alinea staat. Vaak is dat de eerste, tweede of laatste zin.
Woorden in een afwijkende druk (vaak vet, cursief of onderstreept) zijn meestal extra belangrijk.
Structuur herkennen in een website

Bekijk de titel in de browserbalk
Lees de inleidende tekst op de homepage
Lees de informatie over de site. Die zit vaak achter een link About.
Bekijk de sitemap (als die er is) met de structuur van de site. Of blader door de hyperlinks binnen de site om de structuur te ontdekken.

Standaard-structuur in een betoog

Inleiding
Hierin wordt duidelijk gemaakt wat het onderwerp van de tekst is en welke aspecten van het onderwerp worden behandeld.

Kern
Hierin worden een of meer aspecten van het onderwerp behandeld. De kern van een tekst bestaat meestal uit een aantal blokken: voor elk aspect van het onderwerp of elke denkfase van het betoog een apart blok.

Slot
Een samenvatting of een conclusie.

 

Plan van aanpak exacte vakken

1. Wat is de vraag?
Noteer de vraag en onderstreep de sleutelwoorden in de vraag.

2. Gegevens
Gegevens noteren en alvast omrekenen.

3. Formule/plan van aanpak
Hoe ga je de vraag aanpakken?
Kort de stappen noteren.
Welke formule kun je gebruiken?

4. Invullen/uitvoeren
Voer de stappen 1 voor 1 uit.
Vul de formule in.

5. Eenheid/controleren
Voorzie het antwoord van de juiste eenheid.
Controleer of je de vraag hebt beantwoord.

VOORBEELD

Hermien fietst met 12 m/sec. Zij fietst 38 min en is dan op school. Zij vertrekt vanuit huis.
Hoe ver ligt de school van haar huis vandaan?

1. Wat is de vraag?
Sschool = ?

2. Gegevens
V = 12 m/s
T = 38 min → t = 38 x 60 = 2280 s

3. Formule
V = S
T

S = V x T

4. Invullen
12 = S
2280

S = 12 x 2280 = 27360

5. Eenheid
27360 m → Sschool = 27,4 km