1. Wat is de vraag?
Noteer de vraag en onderstreep de sleutelwoorden in de vraag.

2. Gegevens
Gegevens noteren en alvast omrekenen.

3. Formule/plan van aanpak
Hoe ga je de vraag aanpakken?
Kort de stappen noteren.
Welke formule kun je gebruiken?

4. Invullen/uitvoeren
Voer de stappen 1 voor 1 uit.
Vul de formule in.

5. Eenheid/controleren
Voorzie het antwoord van de juiste eenheid.
Controleer of je de vraag hebt beantwoord.

VOORBEELD

Hermien fietst met 12 m/sec. Zij fietst 38 min en is dan op school. Zij vertrekt vanuit huis.
Hoe ver ligt de school van haar huis vandaan?

1. Wat is de vraag?
Sschool = ?

2. Gegevens
V = 12 m/s
T = 38 min → t = 38 x 60 = 2280 s

3. Formule
V = S
T

S = V x T

4. Invullen
12 = S
2280

S = 12 x 2280 = 27360

5. Eenheid
27360 m → Sschool = 27,4 km